De limieten van de markt

Paul De Grauwe, “Limieten van de markt”, Lannoo uitgeverij, 2014, 240p. EAN 9789401413916

Na een decennialange triomftocht is het kapitalisme goed op weg om zichzelf te vernietigen. Kernproblemen als klimaatverandering en groeiende inkomensongelijkheid illustreren de onvermijdelijke externe en interne limieten van de markt. Enkel de overheid lijkt een oplossing te kunnen bieden. Maar ook de staat zal op grenzen botsen en op haar beurt de weg effenen voor een comeback van de markt.

Met zijn nieuwe boek levert Vlaanderens prominentste econoom een onschatbare bijdrage aan het debat over de houdbaarheid van ons marktsysteem. De Grauwe analyseert haarfijn de gevolgen van die desastreuze pendelbeweging, die alleen doorbroken kan worden als we nu drastische maatregelen nemen.

Mijn beoordeling: (3 / 5)

In ‘De limieten van de markt’ gaat De Grauwe op zoek naar een manier waarop de markt voor eeuwig en één dag kan blijven bestaan. Om daarin te lukken is er een overheid nodig die op eenzelfde niveau staat als de private sector. Ze moeten met andere woorden elkaars communicerende vaten worden. Als de markt immers aan zichzelf wordt overgelaten, dient ze onvoldoende het algemeen belang waardoor niet iedereen een billijk deel van de economische groei en de welvaart krijgt, dat de markt creëert. Zo ontstaat er een groeiende ongelijkheid en dat kan de democratische steun voor een markteconomie ondermijnen, waardoor het op termijn zelfs kan verdwijnen.

Paul De Grauwe staaft dit ook met een praktijkvoorbeeld zijnde het onderwijs. Zonder de grote investeringen die de overheid doet zou de privé-sector geen gekwalificeerde werknemers vinden om welvaart te kunnen creëren. Maar ook, zonder de welvaartscreatie van de privé-sector zou die overheidssector nooit kunnen investeren in onderwijs.

Maar er zijn natuurlijk verschillende factoren die dat proces bemoeilijken.

De Grauwe probeert de boel te verduidelijken door te refereren naar het bestaan van externe effecten, of externaliteiten. Dat zijn activiteiten die de betrokkenen niet rechtstreeks raken, maar hun omgeving wel. Het beste voorbeeld hierin is de auto. Een fabrikant maakt die wagen maar wordt nooit verantwoordelijk gehouden voor alle milieuvervuiling dat het ding met zich meebrengt eens hij begint te bollen. Ook voor de chauffeur is die redenering van tel.

Zo liet de Vlaamse regering vorige week nog weten 107 nieuwe lijn bussen te hebben gekocht. Ze rijden echter wel allemaal op Diesel, de meest ongezonde fossiele brandstof. De Vlaamse regering had daar dus kunnen ingrijpen. Ze had de bouwer van de bussen kunnen opleggen dat de brandstof geen diesel kon zijn.

Het wordt echter allemaal groter dan dit in het boek. Dagelijks vinden naar schatting tienduizend tot dertigduizend lobbyisten hun weg naar Brussel. Die verdedigen de belangen van een kleine groep mensen met als enige inzet de kosten zo breed mogelijk uit te smeren.De Grauwe gaf dit de naam: ‘vriendjeskapitalisme’, waarin de politiek systematisch de belangen van de kapitalisten verdedigt’.

En wie lobbyisten zegt, die denkt aan de VS. Het land van de ongebreidelde ongelijkheid, iets wat De Grauwe bij ons wil voorkomen. Net zoals vele anderen van zijn tijd pleit ook hij daarom voor een vermogensbelasting. De invoering ervan ligt natuurlijk bij de overheid, en daarmee is de cirkel rond.

Het boek leest redelijk vlot wat alvast een pluspunt is. Het is echter ook een beetje wat theortici soms zijn, te uitgesponnen in hun uitleg. Voor mij had het dus best wat dunner gemogen, het idee had blijven staan. Dat maakt het boek dan ook wel de moeite om te lezen. Het daagt je uit om na te denken over die limieten van de markt. Voer voor links en rechts dus, zodat je er tussen pot en pint over kan filibusteren.

Zelf maakte ik mij wel één bedenking. Zuiver economisch gezien heeft Paul De Grauwe gelijk: de markt heeft zijn limieten. Het is echter mijn overtuiging dat ze die nooit volledig bereiken zal. Ik geloof echt dat er tussen die toplaag, en in politieke middens, mensen zitten die daadwerkelijk voor niets terugdeinzen als het gaat om opnieuw wat speelmarge te krijgen, telkens men te dicht bij één van de limieten komt.

Daarom moet het wat mij betreft verder gaan.

Meer gelijkheid of minder ongelijkheid zijn twee verschillende zaken. Maar beiden kunnen volgens mij pas beginnen als de overheid eerst zelf de limieten van de markt kan bepalen. Dat betekent discussies over wanneer is veel teveel en weinig te weinig. Zonder de bepaling van die twee limieten kan je nooit iets doen aan (on)gelijkheid buiten dan wat symptoombestrijding.

Spread the love
  • 19
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
    19
    Shares
  1. Koen

    Dat enkel de privé-sector zorgt voor welvaartscreatie is een denkfout de De Grauwe maakt en die ook door Sven niet wordt weerlegd. Er zijn nochtans genoeg onderzoeken die aantonen dat het overgrote deel van de uitvindingen, innovaties, patenten en octrooien voor rekening van de overheid (in al haar vormen) zijn. Om van theoretisch en fundamenteel onderzoek nog maar te zwijgen.

    • Het is dan ook maar een boekrecensie én het ene hoeft niet direct het andere te betekenen. Of de Grauwe zou ontkennen wat je schrijft weet ik niet. Dat zou je aan hem moeten vragen Koen. 🙂

Geef een reactie