‘WIL’ van Jeroen Olyslaegers – een koek oep a bakkes

Jeroen Olyslaegers, ‘Wil’,De Bezige Bij, 01 augustus 2016, 336 p. ISBN 9789491297625.

Jeroen Olyslaegers (Mortsel, 1967) schrijft columns, theaterteksten en proza. Met zijn vorige romans WIJ (2009, genomineerd voor de Gerard Walschap Literatuurprijs) en WINST (2012) maakte hij een rentree in de Nederlandse letteren. In 2014 ontving hij de Arkprijs van het Vrije Woord voor zijn werk en maatschappelijk engagement, en de Edmond Hustinxprijs voor zijn theateroeuvre….

Mijn beoordeling: (5 / 5)

 

Ergens in december begon ik te lezen in Wil. Ik wist toen al dat het geen gemakkelijke opdracht zou zijn, want ik en fictieboeken – laat staan een roman – , dat is een moeilijke match. Ik lees er maximaal één à twee per jaar, al zouden het er gerust meer mogen zijn, ik lees immers graag. Mensen uit mijn omgeving raden mij al jarenlang auteurs aan, tot dusver overleefde enkel Douglas Preston de strijd.  En voor die moeilijke relatie met auteurs is een verklaring. Ik heb, wat ze noemen, een nogal levendige fantasie. Overgiet dat nog met wat ADHD en wat hoge sensitiviteit, en ik weet dat bij het draaien van elke pagina, het boek rondom mij tot leven komt.

Als Wil en Lode agenten worden, dan zie ik ze de eerste keer hun uniform aantrekken. De jas met grote blinkende knopen, een broek die eigenlijk nooit past, wat je ook voor de helm – in lelijk gebroken wit – kan zeggen. Vervolgens zie ik beide heren voor de eerste keer patrouilleren door de straten van Antwerpen.

Ik wandel in alle stilte met hen mee.

Tijdens hun eerste opdracht zie ik hoe Lode verstart, en Wil direct gevangen zit tussen twee werelden. Lode en Wil zijn vrienden, al is het meteen duidelijk dat de inhoud van die term voor de ene belangrijker is dan voor de andere.  Ik kijk naar beide heren, als ze hun eerste opdracht onder bevel van enkele Duitsers moeten uitvoeren, en zie hoe de oorlog verdeelt, niet enkel in daden maar ook in de geesten.

Zo ook bij Wil, die ik de weken en jaren nadien constant tussen wal en schip zie botsen.

Tijdens zijn eerste zuip-kennismaking met nijdig baardje, zit ik mee aan tafel. Ze zijn vergezeld van een ferm mokkel genaamd Jenny. Zij heeft duidelijk al wat teveel op, en Wil probeert samen met nijdig baardje de schade in te halen. De dualiteit rond nijdig baardje laat me nooit los. Als artistiek mentor voor Wil kan ik hem best pruimen. Als Jodenhater, en Jodenjager, moet ik van hem kotsen. Zonder dat ze het weten zuip ik mee die nacht, en als niemand kijkt verkoop ik nijdig baardje een koek op zijn bakkes.

Dat lucht op.

Als Wil de verplichte nummers moet ondergaan met de bezetter, dan zoekt hij steeds in drank zijn redding. Maar die drank verandert hem, en doet telkens weer het tegenovergestelde. Ik ben weer mee aan het zuipen als ik zie dat Wil toelaat hoe moffen aan de kont zitten van zijn wondermooie Yvette. Gesticulerend probeer ik hem daar op te wijzen. Enkele pinten later sta ik het te roepen in zijn oor. Niets lijkt te helpen. Compleet bezopen staat hij daar wat stoïcijns te wezen. Het heeft uiteindelijk allemaal een averechts effect want op toilet slaat Wil door. Letterlijk en figuurlijk dan.

Wil schrijft in het heden over het verleden. Het lijkt wel alsof hij dé Delorean bezit. Het ene moment zit je in het Antwerpen van vandaag, met een Yvette die in iets meer is wat ze was, en Wil die aan zijn dochter denkt, maar ook aan verschillende mensen uit het verleden. Om daarna plots weer te zien hoe hij Joden moet uitzetten, en hoe rondom hem gewone mensen op zulke momenten uitgroeien tot smerige beesten.

Ik zie hem in het hedendaagse dagelijks strijden tegen al die emoties, van toen en nu. Het is zwaar, al lijkt er een onverschilligheid zijn lichaam te zijn binnengeslopen, die doet uitschijnen alsof het hem allemaal niet raakt. Maar ik weet beter, ik heb immers jaren naast hem gezeten, gewandeld, gezopen en gefret. Geloof me vrij:  “Niemand zou zoveel met zich mee moeten dragen.”

Die eerste opdracht blijft Wil, en dus ook mij, heel de tijd achtervolgen. De naam zegt u waarschijnlijk nog niets, maar Chaim Litzke verdient eigenlijk ook een boek. Want net als Wil ligt hij ook weken lang te botsen tussen wal en schip, om uiteindelijk het ruime sop te kiezen. En niemand die weet of hij verdronken is of niet. Jeroen ge zeit ne smeerlap, want gij weet het wel. Ik hoop dat je het mij ooit verteld.

De reis waarop Jeroen Olyslaegers me meeneemt is lang. Hard ook. Ik wandelde mee door de straten, zag rondom mij een koekenstad met vele gezichten, in al haar glorie en in al haar miserie. Het boek plaatste mij ten midden van de grote oorlog en hield op regelmatige tijdstippen een spiegel voor. “Awel Sven, wat zoude toen gedaan hebben?! Allemaal niet gemakkelijk he jonge.”

Nee godverdomme, echt niet gemakkelijk.

Ik heb absoluut nog geen idee of ik in Jeroen mijn tweede Douglas Preston heb gevonden. Wel weet ik nu al dat ik zijn volgende boek een kans ga geven. Al heb ik wel één tip: “Jeroen als je nog eens over Antwerpen schrijft, vergeet dan den Antwaarp niet.”

Thx for the trip! (letterlijk en figuurlijk)

Spread the love
  • 25
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
    25
    Shares

Geef een reactie