Het kibbelkabinet in the good old days

Toen ik klein was, en op regenachtige dagen zonder speelkameraadjes thuis vertoefde, speelde ik al eens met de soldaatjes. Ik vocht toen tegen mijn denkbeeldige vijand, slachtoffers aan onze kant gaven steevast de aanzet tot een ware machtsontplooiing. Ik was natuurlijk altijd de goede, en de slechte delfde telkens weer het onderspit. Als mijn verbeelding haar ding had gedaan nam ik mijn ton, die daarvoor nog rijkelijk gevuld was geweest met het waspoeder van een of ander merk, en veegde alle soldaatjes er in om ze vervolgens weer netjes in de kast op te bergen.

Ook onder vrienden speelden we al eens oorlogje. Dat begon dan door ons onder te verdelen in twee kampen, wie dan de goede en de slechte waren heb ik nooit geweten. Al zat ik wel altijd in het goede kamp natuurlijk. Maar hoe verder de dag vorderde hoe meer opsplitsingen er kwamen. Dat kwam doordat er gaandeweg tactische beslissingen werden genomen, zogezegd in groepsverband, maar waar er toch altijd weer iemand, op een gegeven moment dacht: ”Ik doe dat toch niet.” En zo werden twee kampen er drie, en vier,…

Maar gelukkige bleef de fun veelal duren. Dat woordje ‘veelal’ betekent natuurlijk dat er al eens minder plezante momenten bij waren ook. Zo had je altijd wel iemand, die eigenlijk nooit iets bijdroeg tot de opbouw van de dag planning of het verdere verloop ervan, met de onwaarschijnlijke gave om overal de fun uit te zuigen. De enige bijdrage dat hij of zij kon leveren was om telkens weer de volwassenen hun idee van de five minutes of fame over zichzelf af te roepen, door iemand anders publiekelijk te schofferen. Het woord oelewappers zal wel eens gevallen zijn, maar de groepsreactie was echter wel weer steeds dezelfde, de rangen sloten terug en de fun-uit-zuiger van weleer bleef verdwaasd achter, dwaas zoals die zichzelf enkele seconden ervoor had opgesteld.

En zoals het in elke oorlog gaat had je ook bij ons de uitverkorenen en het kanonnenvlees. Naarmate de dag vorderde dachten die eerste dan ook dat ze belangrijker werden met de minuut en groeide de apathie tussen de verschillende kampen bij die tweede. Verwijten werden sterker en vingerverwijzingen volgden elkaar in snel tempo op. Hier en daar hoorde je al eens een: “Och joenge” wat met de loop der jaren evolueerde tot: “Fuck you gast!” En die uitverkorenen waren maar belangrijk zolang je in hun buurt was, werd je ergens de pas afgesneden dan dook er wel weer een andere uitverkorene op die het voortouw nam.

Op het einde van de dag was er altijd slechts één winnaar: “We hadden nog maar eens een dag kind kunnen zijn.”

De dag nadien stapten we allemaal, met de boekentas onder de arm of de rugzak bengelend rond onze tengere schouders, door de schoolpoort, wachten op de bel. Als die dan klonk, liepen we allemaal naar de rij, om in het gelid te gaan staan, wachtend op de marsorders richting het klaslokaal. En daar stond dan de echte baas. Iemand die regeerde over al de oorlogspersonages van de dag ervoor. Van de eerste uitverkorene tot het laatste stukje kanonnenvlees, allemaal moesten ze luisteren naar wat die ene persoon te zeggen had.

Straf toch eigenlijk, want als het enkele dagen later opnieuw oorlog was, dan was die persoon nergens te bekennen.

Wat moet het fijn zijn om nu nog steeds als volwassene alle dagen oorlogje te mogen spelen. Waarbij sommige denken belangrijker te zijn dan anderen, fun-uit-zuigers nog steeds niet door hebben hoe banaal hun passage is en het kanonnenvlees alle dagen ambras maakt vanuit mooi gestoffeerde luxe stoelen.

En de meester denkt op zulke momenten na over een café, wachtend op een nieuwe kans om ze allemaal de les te spellen.

Spread the love
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  

Leave A Comment?

U bent geen robot, toch? * Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.