Dit jaar géén Sinksenfoor in Antwerpen. Jammer wel.

Ik heb even getwijfeld of ik deze wel zou delen, gezien de gevoeligheid rond het thema. “Weten de foorkramers het al?”, vroeg ik mij gisterenavond af in café Den Engel. Want daar zat hij dan, onder de klok die altijd weer aangeeft dat het vijf voor twaalf is, de burgervader van Antwerpen. Bezig aan een zoveelste one man show.

“Neen, er komt dit jaar geen Sinksenfoor naar Antwerpen!”, waren zijn eerste woorden die me opvielen naar, wat ik vermoed, één of andere journalist was. Schuddebollend zei hij dat, om zijn punt extra duidelijk te maken, terwijl de mond van de mediamarionet niet verder kon openvallen.

“Kijk, ik zal het uitleggen. Wie bijvoorbeeld naar het spiegelpaleis wil gaan, die kan evengoed naar mij thuis komen. Gratis inkom! Ik trek mijn huis toch af van de belastingen, dus betalen de mensen al inkom, al beseffen ze dat niet altijd. Enne we gaan dat zo houden hé. Mondje dicht, ge moet ze niet slimmer maken dan ze zijn.”

Een spontane knipoog is wat volgt.

“Ik heb thuis letterlijk tientalen spiegels hangen. En staan. Ik weet, het is een publiek geheim, maar ik zie mezelf graag. En dan bedoel ik echt graag hé! De voorkant, allebei mijn zijkanten. Uren kan ik daar naar staren. Over mijn achterkant, daar heb ik mijne kop over liggen breken zenne. Vroeger probeerde ik regelmatig een glimp op te vangen. Zonder dat mijn achterkant het vermoede draaide ik mij dan plots om, maar ja, het was dan toch weer steeds mijn voorkant waar ik dan naar keek. Mijn vrouw vond mij juist zo’n hondje dat achter zijn eigen staart aan het hollen was.”

Zucht.

“Maar ik heb uiteindelijk wel een oplossing gevonden. Een spiegel voor én achter mij. Zonder zwans, ik zie mijzelf nu wel duizend keer. Zowel mijn voor –als achterkant! Echt waar, schoon dat dat is, niet te geloven. Ondertussen begrijp jij dat de mensen nergens een spiegelpaleis zullen vinden zoals bij mij thuis. Komt maar eens af gij.”

“En de botsauto’s Bart? Mensen zitten graag op de botsauto’s hé?”

“Waar heb jij gezeten de afgelopen zes jaar? Er gaat hier in, en rond, Antwerpen letterlijk geen dag voorbij of er botsen enkele auto’s op elkaar. En met al die door ons gecreëerde files is dat meestal toch maar blikschade. Want zegt nu zelf, veel rijden doen ze hier niet. Laat staan snel! Dus valt de schade doorgaans goed mee. Win-win situatie, of niet soms?”

Een schouderklopje richting de aandachtige journalist is wat volgt, en terwijl hij het uitproest over zijn eigen grap, zie ik hoe hij naar zichzelf zit te lonken in de spiegel.

“Het strafste van al is dat er nog een hoop mensen geld betalen om in ons levensgroot botsautokraam te mogen rondrijden. Twintig euro per dag, of driehonderdvijftig voor een jaar. Er zijn er zelfs die meer dan honderd euro betalen voor één dag! En alles wat ik heb moeten zeggen is dat het voor hun eigen gezondheid was.”

“Dat kunde toch niet geloven hé? Die geloofden dat direct!”

“Ondertussen staat iedereen stil, wat betekent dat heel dat LEZ-verhaal al gedaan was voor dat het begon. En als klap op de vuurpijl mocht ik nog een steiger bouwen voor cruiseschepen. Als er zo eentje aan zijn stoomfluit trekt…”

Opnieuw rollen de tranen over zijn wangen. De journalist noteert ijverig en lijkt het allemaal te verstaan, en goed te keuren. Zonder één kritische vraag vult hij pagina na pagina in zijn notitieboekje.

“Heb je deze week het nieuws wat gevolgd trouwens?”

“Ja, waarom?”, vraagt de reporter.

“Awel, ons schietkraam kwam weer in het nieuws. In Deurne hebben ze op een frituur geschoten. Misschien waren de bouletjes den dag ervoor aangebakken? Wie zal het zeggen. Bij de frietchinees gade zoiets niet tegenkomen hoor. In elk geval, er gaat geen week meer voorbij, of ze schieten hier in Antwerpen. ”

“Enne, tussen ons gezegd en gezwegen, ik heb nog een studie besteld in verband met de mogelijke overkapping. Ik wil die er, op architecturaal gebied, laten uitzien als een saloon. Je weet wel, zo een café uit de tijd van de cowboys, waar dat ze ook constant met hun revolvers in de lucht schoten. Ge moet dat immers weten te verkopen, ons schietkraam en er bestaat niet zoiets als slechte PR!”

“Nu, ik moet wel nog één of andere taks verzinnen om dat spelleke te laten verder duren. Zouden ze dat slikken denk je, ne war-on-drugs-taks?”

Ik zie hoe de mond van de journalist wordt omgevormd tot tweepruillipjes, voordat ik hem instemmend zie ja-knikken.

“Ons spookhuis, daar hebben we wel al wat mee afgezien. Eerst vertrok Zuhal. Daar ging ons monster. Maar geen nood, als Liesbeth ’s morgens opstaat, dat is ook om een attaqueske van te krijgen. De Koen met zijn strikse, die zou zomaar kunnen meespelen in de crimi clowns. Zelfs zonder strik denk! De griezel. En de Ludo, nadat hem het hier heeft gesloten, dat zou eigenlijk verboden moeten zijn onder de zestien jaar. Maar de strafste is misschien wel ons Annick. Ik heb die cadeau gekregen van de Fernand, en ja als die over bejaarde zonnekoning iets zegt, dan moet ik luisteren. In het begin was dat tegen mijn goesting zenne, dat Annick kwam. Die luisterde nooit, onderbrak iedereen alsof dat ze een of andere boeremie was, en kraamde onzin uit, dat wilde niet weten. Maar na een tijdje werd alles duidelijk. Die haar pruik, dat was perfect voor in ons spookhuis. Echt hé, ik heb daar bang van. Dat leeft! Echt waar, dat is niet Annick die heel den tijd de mensen onderbreekt en lastig doet. Dat is die haar pruik! Wij hebben die al twee keer moeten taseren op één van onze personeelsfeestjes. De laatste keer dacht ik dat die iemand ging bijten.”

“Er zijn natuurlijk ook nog wel wat uitdagingen om de Sinksenfoor volledig te vervangen. Momenteel vang ik alleen de klein visjes in Antwerpen. Voor een viskeskraam met alleen maar kleine prijzen, daar gaan de mensen niet voor willen betalen, maar ja de grote vissen betalen mij, dus ik twijfel.”

“Ik had ook graag een achtbaan gebouwd. We hadden dat zelfs uitgetekend op een servetje in het Fornuis. Allen hadden die lafaards van Apache ons weer gefilmd en vonden ze het bij De Lijn geen goed idee om reizigers meer te laten betalen, om drie keer hetzelfde traject te doen, onderweg twee keer over kop te gaan en terug uit te komen daar waar ze vertrokken zijn. Ik snap de commotie echter niet goed. Het is niet alsof dat de mensen nu op tijd komen met De Lijn. Toch?! Maar bon, deze week hebben we opnieuw voorzichtig een ballonnetje opgelaten voor ons eigen openbaar vervoer. De achtbaan is dus nog niet begraven.”

“Heb jij eigenlijk nog een idee? Iets wat er op de Sinksenfoor stond, en wij nog niet hebben?”

“Haja natuurlijk. Jullie hebben nog geen paardenmolen!”

“Maar jongen toch, nu onderschatte mij toch hoor. In oktober zijn het verkiezingen, en ondertussen hebben wij in de stad al enkele wortelen opgehangen. De mensen lusten die graag, en ze lopen daar graag achter. Of dat dan betekent dat het een paardenkraam, dan wel ezelkraam is, dat laat ik aan u schrijftalent over.”

“Bovendien, als je ezelkraam durft schrijven, dan zeg ik gewoon dat ik met jullie nooit meer samenwerk! Jij bent toch niet van ‘Dag Allemaal’ mag ik hopen? Ons moeder leest dat graag dus moet ik daar regelmatig interviews geven.”

Wat volgt is een nieuwe bulderlach, en een zoveelste blik in de spiegel. Ik drink mijn glas leeg, betaal en verlaat het pand. Die vijf voor twaalf op de klok, die is eigenlijk heel letterlijk te nemen Antwerpen. Heel letterlijk.

Spread the love
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  

Leave A Comment?

U bent geen robot, toch? * Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.